‘Grenstarief België met een venijnig randje’ – Edwin Voerman
Onlangs was ik bezig met het opzetten van een stempeltype in mijn verzameling. Ik kijk dan ook altijd even naar het tarief en naar de inhoud van poststukken die daarbij komen kijken.
In dit geval leverde dat een interessante correspondentie op tussen de rechtbank van Lille en die van Doornik (Tournai). Meestal zijn de handschriften uit de 19e eeuw niet zo makkelijk voor ons te lezen, maar in dit geval was het geen moeite om wat er geschreven stond direct ook te begrijpen.
De vertaling van de tekst geschreven door de onderzoeksrechter (‘juge d’ instruction’) gericht aan de procureur des konings in België laat zich als volgt lezen:
“De heer Liétar Léon Jean Baptiste, geboren te Ath op 15 mei 1842, vervolgd te Rijsel wegens diefstal, is mij gemeld als onlangs te Ath gearresteerd wegens desertie. Ik verzoek u vriendelijk mij te laten weten of dit feit juist is, in welk geval de door hem in Frankrijk gepleegde misdaad het onderwerp zou kunnen zijn van een officiële aanklacht door het parket van Rijsel (Lille).
Hoogachtend, De onderzoeksrechter, A. Rémy.”
Grappig te zien dat helemaal rechtsonder de afzender de vrijheid heeft om zijn collegiale groeten naar eigen inzicht (dus niet voorgedrukt) met de pen te variëren al naar gelang de behoefte. In dit geval komt daar ‘le plus distinguée’ uit, dus met de meeste hoogachting. Het is ook wel verstandig om de hoogste vriendelijkheid te betrachten wanneer je een verzoek doet om iets gedaan te krijgen.
Lille, le 25 janvier 1876
“Le né Liétar Léon Jean Baptiste né à Ath, le 15 mai 1842, poursuivi à Lille pour vol m’est signalé comme ayant récemment arrêté à Ath comme déserteur. J’ai l’honneur de vous prier de vouloir bien me faire savoir si ce fait est exact auquel cas le délit commis par lui en France pourrait faire l’objet d’une dénonciation officielle de la part du parquet de Lille”.
Of het verzoek van de onderzoeksrechter te Lille aan de procureur des konings te Doornik voor de verdachte nog een vervelend staartje heeft gekregen vertelt het verhaal niet.
Dan nog even een paar woorden over het toegepaste tarief. Normaal gesproken was er per 10 gram 30 centimes verschuldigd voor de correspondentie van Frankrijk met België, maar voor post ‘net over de grens’ bestond een verlaagd tarief. De ratio daarachter was dat er over en weer in een grensstreek veel mensen wonen die op de een of andere manier met elkaar zijn verbonden. Tarieven voor verkeer met het buitenland liggen altijd flink hoger dan die voor het binnenland. Dat voelt voor bewoners van een grensstreek als onrechtvaardig.
Voor het besproken briefje gold derhalve het zgn. ‘grenstarief’. Voor post naar België was dat 20 centimes per 10 gram (normaal 30 centimes) geldig van 1 januari 1876 tot 1 mei 1878 volgens de aanvullende overeenkomst met dat land van 27 april 1849 (die op 1 oktober 1849 in werking trad). Deze overeenkomst bepaalde dat het verlaagde tarief gold voor bestemmingen die op minder dan 30 km hemelsbreed vanaf de grens waren gelegen. De afstand tussen Lille en Doornik bedraagt ongeveer 18 km.
In januari 1876 bestond er geen postzegel van 20 centimes in Frankijk. Vandaar dat werd gefrankeerd met twee zegels van 10 centimes emissie Cérès dentelée.


