Vragen (van Hans ten Hengel) en Antwoorden (van Jan Walschots – auteur) over het artikel over de Duval zegels in MB 227
Vraag: Zoals ik je al heb verteld keek en kijk ik reikhalzend uit naar je artikelenserie over de ontwerpen van Duval en met name zijn portzegels. Ik heb dan ook gesmuld tot nu toe van je artikelen in MB 226 en 227; zij hebben mijn kennis verdiept en mijn uitgebreide collectie TAXE zegels verrijkt met aantekeningen. Over je laatste stuk, dat de gekleurde portzegels als onderwerp had, heb ik een aantal opmerkingen en vragen.
De 1 ct. noir (Afb.1) is voorzien van een opdruk ‘annulé’ en ten behoeve van de ‘Cours d’ Instruction’ (school voor aankomend postpersoneel) uitgegeven in 1911 (Afb. 2). Maar de 1 ct. noir is in roulatie geweest van 1-10-1882 tot 1891 (volgens tabel 1). Is dit zegel in aantallen bewaard gebleven van 1891 tot 1911 en is die voorraad toen van de opdruk ‘annulé‘ voorzien, of is er een speciale herdruk geweest ten behoeve van de cursussen (voor postpersoneel)?
Antwoord: De 1 centime kent een opmerkelijke geschiedenis. De eerste druk betrof 3 miljoen zegels in 1882. In de jaren 1883, 1886 en 1887 werden er in totaal nog 165.300 gedrukt (Bron: Annuaire Statistique de la France 1895-1896, tabel 481). Deze aantallen zijn waarschijnlijk inclusief de zegels van 1 centime die ongetand naar de koloniën werden verstuurd, maar daarvan zoek ik nog een bevestiging. In Frankrijk werd de 1 centime ‘voor 1891’ ingetrokken (bron: Yvert specialisé 1975). Toch zijn er in 1892 weer 39.000 gedrukt; deze moeten voor de koloniën zijn geweest. Millésime 2 voor het jaar 1892 voor de koloniën bestaat. Vervolgens werd de 1 centime in 1898 weer geherintroduceerd omdat er behoefte aan was vanwege de ‘Service des recouvrements’. Er zijn oplagen gedrukt in alle jaren van 1898 tot 1907, maar daarna niet meer. Vanaf 1908 werden nieuwe ‘recouvrements’ zegels gedrukt (Yvert taxe 43). De Duval zegels van 1 centime werden pas ingetrokken in 1924. Overigens wordt de herintroductie van de 1 centime een stuk lager in de tabel genoemd bij uitgiftejaar 1898.
Vraag: In je artikel beschrijf je dat de opdruk ‘annulé‘ van 1911 ongeveer 8 millimeter (Afb. 3) van de onderrand staat. Mag ik aannemen dat je daarmee bedoelt dat de opdruk deze afstand heeft tot de buitenste ‘filet‘ (kaderlijn) van het zegelbeeld en niet tot de buitenzijde van de tanding? De catalogus van Maury neemt de afstand tot de ‘filet‘ wel aan bij het onderscheid naar ‘types à plat’ of ‘rotative’. Opvallend is dat de twee verschillende hoogtes (Afb.4) van de opdruk (namelijk ca. 8 millimeter en 11 millimeter) op geen enkele wijze vermeld worden in de catalogus van Yvert & Tellier.
Antwoord: De hoogte van de opdrukken ‘ANNULÉ’ is vermeld in de Yvert catalogus bij het begin van het hoofdstuk ‘Timbres des cours d’instruction’ (Yvert 2023/2025 op pagina 725, resp 789. Yvert spreekt over de onderkant van de zegel dus ik neem aan dat de tandingrand is bedoeld.
Vraag: In de catalogus van Maury staat dat de opdruk ‘spécimen‘ op de portzegels zijn verschenen in 1925. In de beschrijving van Maury staat bij elke zegel vermeld dat die opdruk ‘spécimen‘ geen accent kent op de eerste E van ‘spécimen‘. De gebruikte afbeeldingen van de zegels met opdruk in die catalogus wijzen anders uit: alle zegels hebben wél een accent op de eerste E van ‘spécimen‘ behalve de waarde 5 ct. bleu (Afb.5). Dat komt ook overeen met de zegels in mijn collectie. Weet je daar misschien meer over te vertellen?
Antwoord: Yvert meldt dat bij de zegels met opdruk spécimen er twee zegels per vel zijn zonder accent. Yvert geeft daarvoor geen aparte notering. Maury geeft zo’n aparte notering wel.
Vraag: Misschien is het handig voor de lezers van het MB te weten dat de zegels in vlakdruk (‘impression à plat’) in Maury type 1 worden genoemd en de buitenste ‘filets‘ een afstand van 21,5 millimeter hebben. De zegels in rotatiedruk (‘impression rotative’) worden type 2 genoemd en de afstand meet daar 22 millimeter. (Afb. 6) Ikzelf meet dat op met een elektronische schuifmaat met een nauwkeurigheid van 0.01 millimeter, die ik speciaal voor het postzegelen heb gekocht. Die stel ik in op 22 millimeter en leg dan de zegels tussen de bekken – een type 1 valt dan onmiddellijk op. Zo’n schuifmaat is ook handig voor een verzameling Pasteur zegels.
Antwoord: Het is interessant wat je schrijft over de elektronische schuifmaat. Ik heb zo’n ding niet, maar ik zou hem misschien wel willen hebben, net als een papierdiktemeter.
(N.B. Die schuifmaat heb ik uiteindelijk gekocht bij Lidl van het merk Parkside (€ 10,-!!). Oorspronkelijk dacht ik, dat ik daar ook wel papierdiktes mee kon meten omdat de nauwkeurigheid 0,01 millimeter is; maar dat blijkt in de praktijk toch niet zo – dus daar moet ik nog wat op vinden omdat een echte papierdiktemeter vrij duur is. Ik heb in mijn collectie met die schuifmaat proberen uit te vinden of de opgegeven afstand nu van de tandingrand of vanaf de laatste ‘filet‘ moest worden gemeten. Daar kom ik niet tot eenduidigheid; de opdruk geeft toch te veel variatie. Maar met het blote oog is wel een goede inschatting te maken. (Zie ook Afb 6 en Afb 7.)
Vraag: Omdat ik met name gestempelde zegels verzamel kan ik je vertellen dat er ook nog een ander onderscheid valt te maken. Bij de waarden die een type 1 én een type 2 kennen (behalve de 15 ct.) is de vernietiging met een triangel of met een ‘plume‘ (penvernietiging) meestal van het type 1, en de afstempelingen met een ‘cachet à date’ meestal type 2. Naar mijn mening komt dat vanwege het bij die zegels vrijwel gelijke jaar dat de productie in vlakdruk is gestopt (ca.1933) ten opzichte van het jaar dat de rotatiedruk begint (1935). Maar laat ik wel zeggen dat dit geen ijzeren wet is maar wel een leuke leidraad. Deel je mijn mening hieromtrent?
Verder valt het in mijn verzameling op dat er een triangel bestaat met daarin de letter T. Daarvan heb ik altijd aangenomen dat de meeste van die ontwaardingen met een T in een triangel als ‘préo‘ waren gezet, (en dus in feite een voorafstempeling waren wat je ook goed kunt zien aan de netheid van de stempel). Ze werden waarschijnlijk door de postbode op de brief geplakt. Het gekke is dat dit stempel alleen voorkomt op type 1. Wat is jouw idee hierover?
Antwoord: Ik ken wel de afstempelingen op de portzegels en ook de triangels. Ik heb me echter nooit in verdiept in hoeverre dit voorafstempelingen zijn. Wel kan ik citeren uit de Yvert specialisé 1975: “Il a existée à Paris une préoblitération [ A ou B dans une triangle ] sur les 10 c. brun, 20 c. olive, 30 c. rouge, 45 c. vert, 50 c. lilas, 60 c. vert, 1F lilas-brun sur paille, 1F lilas-brun sur blanc et 2F violet. Cette préoblitération fut effectuée au moyen de réglettes à cinq éléments. On connait des lettres avec ces pièces entre 1928 et 1937. (Afb. 7) De triangel met een letter T ken ik wel, maar Yvert schrijft er niet over. (Afb. 8)
.







